De champagne mag open, want 2022 is ons jubileumjaar: we bestaan 125 jaar!

Vier generaties Leertouwer met een grenzeloze ambitie aan het roer van vier generaties meesterschilders. Voor ons is familie heilig.

Hetzelfde geldt voor onze vakmensen. Hoe mooi de projecten ook zijn en waar de ontwikkelingen ons ook brengen, één ding staat vast: we kunnen niet zonder hen.

Daarom vieren we ons jubileum jaar met familie, werknemers, leveranciers, klanten en alle anderen die we door de jaren heen hebben mogen leren kennen.

Tekst: Karin Kuijpers

Het succes van Leertouwer bestaat niet zonder een team van jewelste.

Davy Schilperoort is 15 jaar in dienst, Koos Righarts werkte er 50 jaar en is met pensioen. Een junior en een senior schilder over hoogtevrees, zakkers, broodjes hijsen en de vrijheid van de steiger.

Ze hebben allebei helblauwe ogen, nemen geen van beide een blad voor de mond en delen droge humor. Davy Schilperoort (30) kwam als “jong pikkie” bij het bedrijf. “Ik was vijftien en koos op de technische school voor de opleiding motorvoertuigen omdat iedereen dat deed. Ik vond er niets aan. Daarop dacht ik laat ik het vak van schilder eens proberen, die vrijheid op de steiger leek me wel wat. Tijdens de opleiding liep ik stage bij Leertouwer en ben er niet meer weggegaan.”

Koos Righarts (68) had ook eerst een dwaling. Hij begon als bankwerker, had zijn papieren en al, maar het idee om de hele dag in een fabriek opgesloten te zitten, stond hem tegen. Via via kwam hij Leertouwer terecht en is er nooit meer weggegaan. Net als Davy was Koos vijftien. “Een leeftijd waarop de meeste begonnen met werken. Ik wilde gewoon knaken verdienen, ben nooit een schoolmens geweest. Om schilder te worden moest ik nog één dag in de week naar school, dat vond ik verschrikkelijk.”

Davy: “Het leuke van dit vak is dat een klant iets wil, jij het mooi maakt en hij blij is met het eindresultaat”

Bungelen in een bakkie

Koos weet het nog goed. Dat hij bij een kerk, honderd meter hoog, vanaf de goot van de kerk in een bakkie moest stappen.

Davy: “Ze waren vroeger toch helemaal gek hè.”

Koos: “Dat was mijn grootste angst. Dat je hoog werkt en dan naar beneden kon kukelen. En andersom ook. Dat je in een hangladdertje op het dak moest klimmen. Bijvoorbeeld aan de gevel van het Electrotechniek gebouw van de TU Delft. Negentig meter hoog. Ik had nooit hoogtevrees, maar ik werd wel wat angstiger toen ik ouder werd.”

Davy: “Heb je nooit iets ergs meegemaakt?”

Koos: “Nee, gelukkig niet. Wel eens iemand die van de ladder viel, maar gelukkig geen ernstige ongelukken. Wat de veiligheid betreft is er zoveel verbeterd gelukkig.”

Davy: “Ja, wij hebben nu hoogwerkers en steigers.”

Koos: “En die steigers zitten snel en makkelijk in elkaar, dat is wel wat anders dan vroeger toen we al die balken zelf moesten optillen en die broodjes moesten hijsen. 24 kilo per balk en 20 kilo per broodje. Nou, je was erna kapot. En dan moest het werk nog beginnen.”

Davy: “Maar daar ben je wel lekker gespierd van geworden Koos. Moet ik voor naar de sportschool.”

Koos, grinnikend: “Jij drukt op een knoppie van zo’n hoogwerker en je staat waar je wil.”

Davy: “Ik ben ook op de ladder begonnen, maar dit is wel echt ideaal. Je staat veel veiliger en je kunt je veel makkelijker verplaatsen. Maar eenmaal in de hoogwerker is het net zo hard werken als jij vijftig jaar geleden deed Koos. Dat gaat nooit weg.”

Koos: “Ja, da’s waar. En hoe zou het dan zijn als jij met pensioen gaat. Misschien lopen er dan wel robots rond.”

Davy: “Die de verf er gewoon tegenaan gooien.”

Er zijn schilders en schilders

Zowel Koos als Davy houden van hun vak en kunnen het niet aanzien als collega’s niet volgens hun standaarden werken.

Davy: “Als je een beetje schilder bent, maak je er strak werk van. Je plakt je werk af en je ruimt je spullen netjes op.”

Koos beaamt. “Ja joh, de buitenstaander denkt misschien “hop effuh smeren en klaar is Kees”, maar er zijn heel wat behandelingen nodig hoor. Ontvetten, schuren, plamuren, kitten, gronden, weer kitten als je wat vergeten bent en dan 1 of 2 keer aflakken.”

Davy knikt: “Als het af is, moet het werk langs je handen glijden. Kijk, elk bedrijf heeft zijn eigen werkwijze, maar ik heb ook heel veel van jou geleerd Koos. Dat je netjes moet werken, zakkers taboe zijn en hoe je die voorkomt. Het is leuk om iets goed te kunnen. Dat een klant iets wil, jij het opknapt en mooi maakt en hij blij is met het eindresultaat.”

Koos tegen Davy: “En jij bent een goede om mee te werken, ook al heb ik je weleens uitgescholden. Want je hebt soms ook figuren ertussen die de neiging hebben de kantjes ervan af te lopen.”

Koos: “Ik moest altijd mijn eigen kwast hebben. Die ging naar mijn hand staan”

Over vroeger en nu

De vraag of er veel in het vak is veranderd tussen toen Koos begon en Davy, knikt Koos overtuigend. De keet, stelt Koos. Dat er tegenwoordig een keet meegaat om te schaften op de werkplek is een luxe die hij lang niet heeft gekend. “We zaten vaak in een lek houten keetje met een paar stoelen erin. Kwam je de volgende dag, was alles zeiknat. Dan dronk ik van ellende mijn koffie liever buiten in de kou op.” Lachend: “Moest ik van de hele dag kou weer een dag bijkomen.”

Davy: “Ja, ik denk dat ik wel meer verwend ben met de arbeidsomstandigheden. Je werd vroeger denk ik ook eerst meer door je collega’s getest dan nu. Je moest eerst maandenlang schuren en schoonmaken en als je dat goed deed, mocht je een keer wat zeggen.”

Koos begint over de vierkante blokwitters waarmee hij enorme zalen van de TU Delft heeft geverfd. Hij slaat op zijn schouders. “Had ik zulke armen ’s avonds.”

Davy: “Die blokwitters heb ik gelukkig niet meegemaakt. Met een roller krijg je alles veel strakker.”

Koos: “In het begin vond ik dat ellende net als de verven die milieuvriendelijker zijn geworden. Die smeerden half zo lekker. En de kwasten veranderden, dat vond ik ook erg. Ik had jarenlang geschilderd met kwasten van goed varkenshaar, moest ik overstappen op dat nylongedoe. In het begin smeerde dat niet lekker en de verf op die kwasten werd snel hard. Maar alles went hè.”

Davy: “Een kwast met varkenshaar, daar deed je wel een poosje mee. Die ging helemaal naar je hand staan.”

Koos: “Ja, door het strijken langs de muren kwamen er mooie ronde koppen op. Ik moest ook altijd mijn eigen kwast hebben.”

Davy: “Dan wist je zeker dat die schoon was zeker.” 

Koos lacht: “Ja, jij snapt het. Eén ding is zeker. Bij Leertouwer is nooit op kwasten bezuinigd.” 

Davy: “Er kwamen gelukkig ook andere mogelijkheden om het werk schoon te maken.”

Koos knikt: “Ik heb de terpentine vast nog in mijn bloedbaan zitten. We maakten er gewoon onze handen mee schoon.”

Davy: “Terpentine wordt nu echt alleen nog maar gebruikt om bepaalde verven te verdunnen.”

Koos: “En stopverf maakte plaats voor synthetische reparatiematerialen. Oh ja, en we kregen handschoenen aan, stofmaskers op en later gehoorbescherming. Voor mij te laat, ik heb aan allebei de kanten van mijn oren een gehoorapparaat.”

Ook asbest is een heikel punt. Koos: “Daarmee wordt natuurlijk nu heel anders omgegaan. Afkloppen… ik ben nooit ziek geweest. Pas toen ik met pensioen ging, kreeg ik heftige Corona, maar ik geloof dat daar geen verband is.”

Davy voegt er nog aan toe dat ook het uniform veranderde: “Strakker met mooie jasjes en broeken waar je niet over struikelt zoals de wijde overalls. Ik vind dat zeker een verbetering.”

Het gesprek komt op flirten op de steiger met zonnige dagen. Davy: “In de vorige eeuw nog een geaccepteerd verschijnsel en als jonge vrijgezel vond ik dat wel leuk. Door alle ophef die is ontstaan past dat niet meer. Ook prima.”

Koos wil nog wel een anekdote kwijt op dit gebied: “Eén keer stond ik op mijn laddertje en deed een vrouw poedelnaakt het gordijn open.” Lachend: “Ik weet niet wie er meer schrok, zij of ik.”

Koos lachend: “Goede bazen bestaan natuurlijk niet, maar Sam en Juriën zijn heel redelijk en sociaal”

De Leertouwers

Koos heeft tijdens zijn 50-jarige loopbaan drie generaties Leertouwer gekend. Hij werd door de vader van Sam, die ook Sam heette, aangenomen voor de grote opdrachtgever TU in Delft. “Sam sr was een statige man en sociaal, net als zijn zoon. Geen baas-baas. Met Sam jr heb ik het langst gewerkt, daar kon ik ook goed mee opschieten. Toen Juriën in het bedrijf kwam, kreeg ik hem mee.” Lachend: “Gaf ik hem op een klus in Pijnacker de opdracht om gootjes schoon te maken. Daar ging hij niet tegenin. De praktijk heeft niet lang geduurd. Ik geloof niet dat er een groot schilder aan hem verloren is gegaan.”

Davy: “Je”hoort genoeg verhalen van bedrijven waar je als werknemer gewoon een nummer bent.”

Koos: “Of ze schelden je verrot.” Met gevoel voor understatement: “Goede bazen bestaan natuurlijk niet, maar Sam en Juriën zijn heel redelijk en sociaal.”